De Oost-Duitse arbeidersopstand van 1953

Op 16 juni 1953 wierpen tachtig à honderd bouwvakarbeiders in de Stalinallee in het toenmalige Oost-Berlijn de troffels neer. Zij trokken, nadat tal van collega’s zich bij hen hadden aangesloten, naar de regeringsgebouwen in de Leipziger Straße om te protesteren tegen de verhoging van hun prestatienormen. Zonder dat zij het zelf vermoedden gaven zij daarmee het sein tot een proletarische opstand die zich als een lopend vuurtje verbreidde door geheel Oost-Duitsland.

De opstand droeg een zó zuiver proletarisch karakter als nog maar zelden bij revolutionaire gebeurtenissen van een dergelijke omvang het geval was geweest. De wereld kreeg aanschouwelijk onderricht in wát een proletarische revolutie is – en wat zij niet is – en alle daaromtrent bestaande mythen werden grondiger dan ooit verstoord.

De Oost-Duitse arbeidersopstand weerlegde de stelling, dat er zónder revolutionaire theorie geen sprake kan zijn van een revolutionaire praktijk. Hij bewees, dat er voor een revolutionair handelen van de arbeidersklasse géén revolutionaire "voorhoede" is vereist. Hij liet zien, dat een revolutionaire storm niet door een revolutionair bewustzijn wordt ontketend, maar dat omgekeerd de revolutionaire stormwind pas een revolutionair bewustzijn doet ontstaan. Hij demonstreerde op welke wijze kleine groepen arbeiders onder bepaalde omstandigheden tot menigten en vervolgens tot vast aaneengesmede massa's kunnen worden. Hij leerde – wat drie jaar later, in 1956 de Hongaarse revolutie opnieuw zou leren – dat in een dergelijk omwentelingsproces de verlangens van de massa razend snel veranderen. De opstand leerde bovenal, dat het er voor de klassenstrijd volstrekt niet op aankomt wat de arbeiders zich van hun eigen optreden voorstellen en dat het er daarbij slechts om gaat wat de arbeidersklasse is en wat zij op grond daarvan gedwongen is te doen.

 Wij publiceren hier de door Cajo Brendel geschreven brochure in de uitgave van 1978.