Stellingen van Daad en Gedachte

1. Daad en Gedachte is een groepering van mensen, die zich uit sociale bewogenheid bezig houdt met de problemen van de menselijke samenleving, in het bijzonder die met betrekking tot de klassenstrijd. Het lezen over, bestuderen en bediscussiëren van die problemen ziet zij als haar voornaamste taak.

2. De vruchten hiervan worden neergelegd in het orgaan Daad & Gedachte en andere geschriften en zo onder een grotere kring van mensen gebracht. Daad en Gedachte is zich er echter wel van bewust, dat de arbeiders in het algemeen zich niet interesseren voor een theoretische probleemstelling en daarom zullen haar geschriften alleen van betekenis zijn voor die (weinige) arbeiders, die zich ook willen verdiepen in de problemen van de menselijke samenleving.

3. De prikkel tot sociale activiteit komt enerzijds voort uit zelf ondervonden nood, onrecht, onderdrukking en begeerte, anderzijds uit nood, onrecht en onderdrukking waargenomen bij anderen. De activiteit, voortkomende uit ondervonden nood, onrecht, onderdrukking en begeerte, dus de activiteit van de arbeidersklasse, is klasse-activiteit. De activiteit, voortkomende uit waargenomen nood, onrecht en onderdrukking, dus de activiteiten van groepen en partijen, is groepsactiviteit.

4. De klasse-activiteit is, gezien vanuit het bewustzijn van de arbeiders, niets meer dan activiteit voor betere levensvoorwaarden. Wezenlijk is zij een strijd die slechts kan eindigen met de opheffing van de loonarbeid.

5. De arbeidersklasse als geheel is tot niets anders in staat dan strijd voor haar belangen; dat wil zeggen, dat zij strijdt voor doeleinden waarvoor zij zich direct geplaatst ziet.

6. Deze beperking vormt juist haar kracht. Zij behoedt haar er voor haar energie te verspillen aan in het verschiet gelegen doeleinden, die voor het moment althans onwerkelijk zijn en geen verband houden met haar toestand en bewustzijn van het ogenblik. Zij behoedt haar er tevens voor haar energie te verspillen aan doeleinden die de hare niet zijn.

7. Het feit dat de arbeiders alleen strijden voor directe belangen, deed bij groepsactivisten de mening postvatten, dat voor de omvorming van de samenleving een partij onontbeerlijk was. Deze zou dan de geesten voor die omvorming klaar moeten maken. Met andere woorden: de arbeiders zou een 'socialistisch bewustzijn' moeten worden bijgebracht.

8. Daarbij werd niet in aanmerking genomen, dat de strijd van de arbeiders niet zonder ontwikkeling is. Wat in de aanvang een knagen aan de meerwaarde is, wordt tenslotte bij verbreding en verdieping van de strijd een worsteling om het maatschappelijk product.

9. Daad en Gedachte is geen groep, die de zelfstandige strijd van de arbeiders propageert, zij is echter evenmin een groep die de zelfstandige arbeidersstrijd praktisch voert. Zij meent dat de zelfstandige strijd van de arbeiders niet door propaganda, maar door de maatschappelijke verhoudingen ontstaat; zij meent ook, dat deze zelfstandige strijd slechts kan worden gevoerd door organisaties, die in de strijd zelf geschapen worden.

10. In die zelfstandige strijd is Daad en Gedachte organisatorisch van een te verwaarlozen betekenis. Haar praktische stellingname komt voort uit theoretische overwegingen.

11. Daad en Gedachte voert de geestelijke strijd die elke maatschappelijke strijd vergezelt. In die zin is zij de geestelijke uitdrukking van het bewustzijn van de arbeiders, dat tot uitdrukking komt in het zelfstandig voeren van de klassenstrijd. Dit bewustzijn komt voort uit de plaats van de arbeiders in het productieproces in verbinding met de maatschappelijke verhoudingen. Het kan door geen buiten de beweging der arbeiders staande groepering worden verwekt noch versterkt.

12. Tussen Daad en Gedachte en de arbeidersklasse bestaat een onlosmakelijk verband in die zin, dat de opvattingen van Daad en Gedachte door het zelfstandig optreden van de arbeiders worden bepaald. Maar dat wil niet zeggen, dat Daad en Gedachte identiek is met de arbeidersklasse of zelfs maar met een klein deel dier klasse. Slechts die organisaties, die door de strijdende arbeiders zélf in het bedrijf worden geschapen zoals bijvoorbeeld stakingscomités of arbeidersraden, kunnen als een deel van de arbeidersklasse worden beschouwd.

13. Daad en Gedachte kan zich met de zelfstandige strijd van de arbeiders hoogstens solidair verklaren. Deze solidariteit legt haar de verplichting op zelfstandig strijdende arbeiders te steunen waar en voor zover dat mogelijk is. Die steun zal niet alleen van financiële aard zijn. Ook zal Daad en Gedachte te allen tijde bereid moeten zijn haar apparatuur alsmede haar technische vaardigheid ter beschikking te stellen aan zelfstandig strijdende arbeiders voor het vervaardigen van publicaties en dat wel zonder ook maar de minste invloed uit te oefenen op de inhoud van de te vervaardigen geschriften.

14. Zou Daad en Gedachte een belangrijke rol gaan spelen in de bewegingen der arbeiders, dan zou daarmee de zelfstandigheid en onafhankelijkheid van die beweging worden opgeheven. Daad en Gedachte streeft er dus niet naar een massa-organisatie te worden. Voor 'volgelingen' is bij Daad en Gedachte daarom geen plaats, maar alleen voor mensen, die in de groep de problemen van de menselijke samenleving, in het bijzonder die met betrekking tot de klassenstrijd, willen bespreken en bediscussiëren.

 

De Stellingen zijn oorspronkelijk gepubliceerd in Daad & Gedachte, nr. 2 (Feb.) 1965, p.15 en 16, het tweede nummer van het toen nog nieuwe tijdschrift. In de loop van de daarop volgende jaren zijn er kleine aanpassingen in de tekst doorgevoerd, bedoeld om de formulering zo scherp en helder mogelijk te laten zijn. De hier gepubliceerde versie van de Stellingen is ontleend aan de publicatie Was de sociaal-democratie ooit socialistisch? Een beschouwing over haar wezen. Lelystad : Daad en Gedachte, 1990. 5e druk.